FOUR ROOMS FOR FIVE THOUGHTS

Herman Van Ingelgem & Chloé Op de Beeck

 

  1. The sharing of thoughts is related to dancing. You can also call it thought movements.

  2. Why do you want to tell someone what cloud you have seen?

  3. The exchange of thoughts creates a state in which it is no longer clear who the sender is and who the receiver is.

  4. The thoughts arise as it were spontaneously in a mental space that exists between the two persons.

  5. Does this space have a floor, a ceiling? How large is this space?

  6. Can you touch that which is thought?

  7. Objects are exchanged. This exchange is a dialogue, a game of associations, recognition, and formality.

  8. Who determines the value?

  9. What is the difference between an object, a thing and an item?

  10. Objects, things and items can be traces of the past or artifacts of the present. They can refer to what is yet to come or even never will happen.

  11. After a while, the objects no longer represent anything. They have become the conversation in itself.

  12. Objects can be arranged. Every arrangement generates a new and different meaning. Language is a matter of arrangement and context.

  13. Meaning does not have to be logical. Meaning is a matter of giving and receiving.

  14. How do you deal with the fact that you yourself have to give meaning?

  15. Houses change, they never remain the same.

  16. Memories of lost architecture are transformed into drawings. Those drawings are passed on.

  17. What prevails in the memory: the space, a detail, an event, the atmosphere?

  18. The drawings are in turn translated into three-dimensional forms. These are installations.

  19. 'You turn my memories into an installation. As such, it becomes possible to walk through them.'

  20. Do you keep a memory alive if you share it with someone? Is the holding on to a memory not the same as killing it?

  21. Making the drawing is not a reconstruction. Making the installations neither. They are translations. Translating is transforming one language into another. As a result, things get lost.

  22. Gaps play a major role. They form new spaces. New spaces can accommodate new thoughts.

  23. Do memories have an engine? Who or what drives the engine?

  24. Why are almost all our sculptures performing sculptures? They seem to have a function.

  25. Is ignoring this functionality equal to giving shape to freedom?

  26. Creating is adding or removing material. Creating is transforming material. It is a dialogue.

  27. Why do you like wood?

  28. When we look at something together, a third pair of eyes spontaneously emerges. We take these eyes with us everywhere.

  29. Looking together doubles the reflection.

  30. Stories only exist when they are told. 

  31. Stories change every time they are told. 

  32. Our collective drawing starts from observation and remembrance. After a while, the drawing takes over. The autonomy of the image then comes to the fore.

  33. Through the act of drawing, something emerges that resembles a mass. An substantial expression of observation and remembrance processes. These are mental images.

  34. While we draw, we become observators of our own hand. Aside from the pleasure of the text, there is also the pleasure of the drawing.

  35. The drawings can be read like a diary. They are records of individual or common experiences. In the drawing, our experiences are shared.

  36. What is the difference between sharing and communicating?

  37. Can we observe without language?

  38. Drawing and thinking happens simultaneously. Both actions affect each other and feed each other.

  39. Art history is a space. Art history is a memory.

  40. Bodies sometimes seem to be empty shells.

  41. Did you sleep well?

  42. Each exhibition has an invisible counterpart. It is made up of everything that is not shown.  It is the presentation of the absent.

  43. How did we get here without a strategy or agreement?

De albino-gorilla

In de dierentuin van Barcelona bestaat het enige exemplaar dat ter wereld bekend is van een albino- mensaap, een gorilla uit equatoriaal Afrika. Meneer Palomar baant zich een weg door de menigte die zich verdringt in het paviljoen waar hij zit. Achter een raam is ‘Copito de Nieve’ (‘Sneeuwvlok’, zo noemen ze hem) een berg vlees en wit haar. Hij zit tegen de muur in de zon. Het masker van zijn gezicht is van een menselijk roze, doorgroefd met rimpels; ook zijn borst toont een onbehaarde, roze huid, als die van mensen van het blanke ras. Dat gezicht met die enorme trekken van een trieste reus draait zich af en toe naar de menigte bezoekers achter het glas, op minder dan een meter van hem vandaan; een trage blik vol troosteloosheid, geduld en verveling, een blik die alle berusting uitdrukt over het feit dat hij is zoals hij is, het enige exemplaar ter wereld met een vorm die niet uitverkoren is en niet geliefd, alle vermoeienis om zijn bijzonderheid met zich mee te torsen, alle ellende om de ruimte en de tijd te beslaan met zijn eigen aanwezigheid die zoveel plaats inneemt en zoveel opzien baart.

                              Het raam kijkt uit op een terrein dat omgeven is door hoge gemetselde muren die het het aanzien geven van de binnenplaats van een gevangenis, maar dat in werkelijkheid de ‘tuin’ is van het hok-huis van de gorilla’s, waar zich op de grond een lage, bladerloze boom verheft en een ijzeren ladder als gymnastiektoestel. Meer naar achteren op het binnenplaatsje zit het wijfje, een grote zwarte gorilla met een kleintje in haar arm dat ook zwart is: het witte haar wordt niet overgeërfd: ‘Copito de Nieve’ blijft de enige albino van alle gorilla’s.

                             Witgrijs en onbeweeglijk roept de mensaap in meneer Palomar een onheuglijke oudheid op, zoals bergen of piramiden. In werkelijkheid is het dier nog jong, en alleen het contrast met zijn roze gezicht, zijn korte witte haar dat het bekroont en vooral de rimpels overal rond zijn ogen maken dat hij eruitziet als een oude man. Verder vertoont het uiterlijk van ‘Copito de Nieve’ minder gelijkenissen met de mens dan dat van de andere primaten: op de plaats van de neus graven de neusgaten twee diepe gleuven; zijn harige en - je zou zeggen - weinig ontwikkelde handen aan het uiteinde van heel lange, stijve armen, zijn in werkelijkheid nog poten, en als zodanig gebruikt de gorilla ze bij het lopen, waarbij hij ze als een viervoeter op de grond zet.

                             

                            Nu klemmen deze arm-poten de buitenband van een auto tegen zijn borst. In de enorme leegte van zijn uren laat ‘Copito de Nieve’ de autoband nooit los. Wat zou dit voorwerp voor hem zijn? Een stuk speelgoed? Een fetisj? Een talisman? Meneer Palomar heeft het gevoel dat hij de gorilla perfect begrijpt, zijn behoefte aan iets wat hij stevig kan vasthouden terwijl alles hem ontglipt, iets waarmee de beklemming van het isolement verlicht kan worden, van het anders zijn, van de veroordeling altijd beschouwd te worden als een levend fenomeen, evenzeer door zijn vrouwen en kinderen als door de bezoekers van de dierentuin.

                            Ook het wijfje bezit een autoband, maar voor haar is dit een gebruiksvoorwerp, waarmee ze een praktische, probleemloze relatie heeft: ze zit erin als in een leunstoel, terwijl ze van de zon geniet en haar kleintje ontvlooit. Het lijkt echter of het contact met de autoband voor ‘Copito de Nieve’ iets gevoelsmatigs, is, iets possessiefs en op een bepaalde manier iets symbolisch. Daarvandaan is het een kleine stap naar datgene wat voor de mens het zoeken is naar een uitweg uit de angst om te leven: jezelf investeren in de dingen, jezelf herkennen in de tekens, de wereld veranderen in een geheel van symbolen; bijna een eerste ochtendgloren van de cultuur in de lange biologische nacht. Om dit te doen beschikt de albino-gorilla alleen maar over een autoband, iets kunstmatigs wat de mens heeft voortgebracht, iets wat hem vreemd is, verstoken van elk vermogen tot symboliek, leeg van betekenissen, abstract. Je zou niet zeggen dat je er veel uithaalt als je ernaar kijkt. En toch, wat is beter dan een lege cirkel in staat alle betekenissen aan te nemen die je eraan wilt toeschrijven? Misschien is de gorilla door zich ermee te vereenzelvigen wel bijna zover dat hij op de bodem van de stilte de bronnen bereikt waaruit de taal ontspringt, dat hij een vloeiende band kan scheppen tussen zijn gedachten en de onontkoombare, doffe duidelijkheid van de feiten die zijn leven bepalen ...

                             Als meneer Palomar de dierentuin uit is laat het beeld van de albino-gorilla hem niet los. Hij probeert erover te praten met de mensen die hij tegenkomt, maar het lukt hem niet een willig oor te vinden. ’s Nachts blijft de aap aan hem verschijnen, zowel tijdens zijn slapeloze uren als in zijn korte dromen. ‘Zoals de gorilla zijn band heeft, die voor hem de tastbare ondersteuning is van een ijlend verhaal zonder woorden - denkt hij - zo heb ik dit beeld van een witte mensaap. Allemaal draaien wij een oude lege autoband in onze handen rond waarmee wij de uiterste betekenis willen bereiken waar geen woorden voor zijn.’

 

 

Uit Palomar van Italo Calvino, 1985, Uitgeverij Bert Bakker, Nederlandse vertaling Henny Vlot. Oorspronkelijke titel Palomar, 1983, Giulio Einaudi editors s.p.a., Turijn.

  • Facebook Black Round
  • Instagram - Black Circle
  • LinkedIn - Black Circle
  • Artsy_logo.svg

© 1985-2019        Annie Gentils Gallery